Ik begon door te krijgen hoe het werkte, dit vreemde spelletje. Het wat en waarom ontgingen me nog. Ik deed een stap achteruit en mijn vriendin vervaagde. Ik zag haar mond bewegen om iets te formuleren, maar ondanks de afstand van slechts een meter tussen ons, hoorde ik niets. Ze keek angstig. Ik stapte naar haar toe en ze materialiseerde zich weer. We konden weer praten.
Na een uitwisseling van angsten en speculaties besloten we onze kalmte te bewaren. We moesten vooral de schemerige, stoffige zolderkamer waar we ons nu op bevonden verlaten. Er klopte hier iets niet, naast het bizarre fenomeen dat we zojuist hadden doorstaan hing er een waas van narigheid en kwaadaardige anticipatie in de lucht. Het probleem: Het stikdonkere trapgat van de oude spiraaltrap oogde als een hongerig keelgat dat ons zonder enige overdenking zou opslokken.
Ik weet nog goed dat ik mijn mond en stembanden forceerde om iets te zeggen. “Ik ga wel eerst,” kwam er met moeite en zonder enige overtuiging uit. Mijn vriendin keek angstig en ik begreep waarom. Wat als weer hetzelfde zou gebeuren als zojuist? Ik zette mijn tanden op elkaar en nam een stap in de richting van het trapgat.
Weer werd het een fractie donkerder dan eerder. Angst greep me bij de strot en ik riep naar haar. Ze hoorde me niet. Ik forceerde mezelf om te blijven staan en niet terug te lopen naar mijn liefde. Ik wenkte haar om naar mij toe te komen, wat ze deed en op haar beurt werd ze weer zichtbaar, tastbaar. Het was duidelijk, we moesten bij elkaar blijven.
Ze greep mijn hand en ik liet de hare niet meer los. Zonder iets te zeggen renden we de trap af, rond en rond. De verduisterde, verlaten verdiepingen die we niet zagen, maar waarvan we wisten dat ze er waren uit herinnering en door de lichte tocht die we voelden, lieten we links liggen. Bij elk onzichtbaar, open deurgat verstijfde mijn lichaam en tintelde mijn ruggengraat. Na een eeuwigheid, aldus mijn perceptie, kwamen we beneden, waar het iets lichter was.
Epiloog
De nachtmerrie was nog niet over, nee, het was slechts het begin van de eindeloze kwelling die me te wachten stond. Nu, ik tel de jaren niet maar er zouden dertig jaar verstreken kunnen zijn, loop ik elke dag de martelgang omhoog naar de zolder, waar het gebeurde. Ik zit daar in mijn schommelstoel en mijmer dan over wat had kunnen zijn. Ik heb de schommelstoel zo geplaatst dat ik uitkijk op het donkere gat, niet die van de trap. De versplinterde, rotte planken van de oude vloer om het gat heen doen denken aan een roestig, venijnig gebit. Ik overpeins of ik me wederom zal laten omhelzen door de duisternis, of ik me weer zal laten verslinden door de mond van het definitieve einde.
Toen we beneden waren gekomen voelde ik eerst blijheid, verlossing en vooral een honger naar de zon en frisse buitenlucht. Al snel veranderden deze gevoelens naar twijfel en uiteindelijk bleef er niets over dan onbegrip, angst en verdriet. Tranen vloeiden ongemerkt, mijn adem stokte. Ik keek naar mijn hand die zojuist nog de hand van mijn liefde hadden vastgeklampt. Ik zag niets meer.
Ik werd wakker in het ziekenhuis, waar ik aan de blikken van de verpleegsters en uit het zwijgen van de artsen kon opmaken dat ik er goed vanaf was gekomen. Ik had de val overleefd. Als enige. Mijn lichaam herstelde zich…
Ik zie haar af en toe. Ze zegt iets, maar ik hoor niets. Als ik haar probeer aan te raken vervliegt ze als dauw voor de zon. Ik rust mijn hoofd in mijn handen en huil niet meer.